groentje
/ˈɣruɲcə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) iemand die uit onvervarenheid nog veel fouten maakt en daar vaak voor geplaagd wordtHij was politiek gezien nog maar een groentje.Zij rijden voorop in de Volvo, drie agenten in uniform in de auto achter hen: twee groentjes die net hun opleiding hebben afgerond, kerels met spierbundels en een air dat ze alle shit die ze in de maatschappij tegenkomen wel even zullen fiksen.Hardangervidda. De Spoorlijn Bergen. Daar was zijn ingenieursleven begonnen toen hij nog niet meer dan een groentje was en nu tegen het einde van dat beroepsleven was het alsof hij weer opnieuw moest beginnen.
- (vlinders) bepaald soort dagvlinder, uit de familie , de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjesHet groentje komt in heel Europa algemeen voor op schrale graslanden, heiden en bosgebieden.
- (voeding) bereide groente als onderdeel van een maaltijd
- (verouderd) volksnaam voor een groen bankbiljet van f40.- van voor de Tweede Wereldoorlog.
Etymologie
*afgeleid van "groen"
Vertalingen
Engelsnewbie, green hairstreak
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek