grootbek
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die luidruchtig van zich laat horen, iemand met een grote mond
- iemand die speeksel uitademt bij het spreken; iemand die spreekt met consumptie
- vogel met een grote snavel, in het bijzonder een toekan ()
- soort vis
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek