grootheid

vrouwelijk (de)/ˈɣrotheit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde, wetenschap (wiskunde), (wetenschap) zaak in zoverre die voor vermeerdering en vermindering vatbaar is, iets meetbaars en/of kwantificeerbaars
    Ingeborgs vader, baron Von Freital, geloofde niet in de liefde, maar des te meer in geld en afkomst, en vooral in de gunstige combinatie van die grootheden.
  2. maatschappij (maatschappij) iemand met veel maatschappelijk aanzien

Etymologie

*afgeleid van groot

Vertalingen

Spaanscantidad, magnitud, tamaño