groothertog
mannelijk (de)/ˈɣrothɛrtɔx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (adel) adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koningIn Pussy volgen we Fracassus (van fracas: opschudding, rumoer, opstootje) van de wieg tot het begin van zijn politieke carrière, wanneer hij afrekent met een broekdragende feministe. Fracassus is prins van de ommuurde republiek Urbs-Ludus, een samenleving die ‘veel waarde hechtte aan fantastische coiffure’, en waar de aristocratie bestaat uit vastgoedondernemers. Zijn vader is Groothertog, want specialist in casino’s, luxehotels en glanzende woontorens, ziggoerats, oftwel tempeltorens, genoemd.NRC Auke Hulst 28 april 2017'Verbijsterd door de tragische gebeurtenissen op de Berlijnse kerstmarkt willen we onze diepe bezorgdheid en medeleven namen de Luxemburgse bevolking uiten', schrijven groothertog Henri en groothertogin Maria Teresa van Luxemburg aan de Duitse bondspresident Joachim Gauck.Volkskrant 20 december 2016
Etymologie
*, als leenvertaling van humanistisch Latijn "magnus dux"
Vertalingen
Engelsgrand duke
Fransgrand-duc
DuitsGroßherzog
Spaansgran duque
Italiaansgranduca
Portugeesgrão-duque
Zweedsstorhertig
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek