grootouder

mannelijk (de)/ˈɡrotɑudər/

Wat is de betekenis van grootouder?

grootouder betekent: (familie) de ouder van een ouder

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie (familie) de ouder van een ouder

Voorbeelden van "grootouder" in een zin

  • Na school ging de jongen altijd bij zijn grootouders langs.

Vertalingen

Engelsgrandparent
Fransgrand-parent
DuitsGroßeltern
Spaansabuelo, abuela
Italiaansnonno, nonna
Portugeesavô, avó
Russischдедушка, бабушка