Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
grootpoothoenders
/plaatshouder taxonomie/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (hoendervogels) een familie van hoendervogels die onder andere de thermometervogel en de boskalkoen bevat. Deze vogels hebben korte, ronde vleugels en een tamelijk lange staart. Ze hebben forse en krachtige poten met sterke nagels. Ze hebben kale koppen, die vaak getooid zijn met kuiven, lellen en helmen
Etymologie
* "grootpoothoen" met de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek