grootspraak

mannelijk (de)/xxxx/

Wat is de betekenis van grootspraak?

grootspraak betekent: opschepperij, bluf, dikdoenerij, jezelf belangrijker maken dan je bent

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. opschepperij, bluf, dikdoenerij, jezelf belangrijker maken dan je bent

Voorbeelden van "grootspraak" in een zin

  • De visser vertelde in beeldende taal over zijn gevangen vis van meer dan 1 meter lengte maar het bleek alleen maar grootspraak te zijn.

Vertalingen

Engelsbluffing
Fransfanfaronnade
DuitsGroßtuerei
Spaansjactancia, fanfarronada