gruis

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleine stukjes steen, grover dan stof, fijner dan brokken steen
    Bij het afbreken van het huis kwam de hele tuin onder het gruis
    De afdaling vanaf Sonora Pass viel me erg tegen, het pad was opvallend lastig met veel los gruis waardoor ik goed moest opletten om niet van de steile vulkaanhelling af te glijden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘verbrokkelde stof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1330

Vertalingen

Engelsgravel, grit, powder
Spaanscascajo, grava, polvo