guts

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) een gootvormige steekbeitel voor houtbewerking
    De kunstenaar bewerkte het houten beeld met zijn guts.
  2. hoeveelheid vloeistof die ineens ergens uitstroomt
  3. informeel (informeel) lef, moed

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘lef’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1986

Vertalingen

Engelsgouge
Fransgouge
DuitsHohlmeißel
Spaansgubia