guts
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) een gootvormige steekbeitel voor houtbewerkingDe kunstenaar bewerkte het houten beeld met zijn guts.
- hoeveelheid vloeistof die ineens ergens uitstroomt
- (informeel) lef, moed
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘lef’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1986
Vertalingen
Engelsgouge
Fransgouge
DuitsHohlmeißel
Spaansgubia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek