halve

vrouwelijk (de)/ˈhɑlvə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd sterk (verouderd) kant, zijde, richting
    Den Hertoghe/ van Hembyse deser sake halve seer geimportuneert zijnde/ antwoorde in toorn met dreygende woorden / seer heftich ende strenghe/ “Men sal de Previlegy-roepers wel vinden”, ende “Men sal sulcke Muyte-makers met haren aenhanck al ophangen, hoewel sy van den Prince van Oranien opgeruyt worden”, met diergelijcke woorden meer.

Etymologie

*: (erfwoord) via Middelnederlands """ van Oudnederlands "halva", in de betekenis "zijde, kant" aangetroffen vanaf 1100

Uitdrukkingen

  • halve staan