harmonica

vrouwelijk (de)/hɑrˈmoniˌka/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) een trekharmonica
    Voor zijn verjaardag kreeg hij een nieuwe harmonica.
  2. muziekinstrument (muziekinstrument) een mondharmonica
    Die man speelde de hele dag op zijn harmonica.
  3. een zigzagvormig verbindingsstuk
    Kun je mij die harmonica even aangeven?

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘toetsinstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1824

Vertalingen

Engelsharmonica