harmonie
vrouwelijk (de)/ˌhɑrmoˈni/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- samenwerking of verband van een aantal zaken tot een welgeordend en aangenaam aandoend geheel
- (muziek) aangenaam klinkende vereniging van tonen
- de gezamenlijke blaas- en slaginstrumenten in een orkest
- harmonieorkest
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘eendracht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1330
Vertalingen
Spaansarmonía
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek