harmonie

vrouwelijk (de)/ˌhɑrmoˈni/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. samenwerking of verband van een aantal zaken tot een welgeordend en aangenaam aandoend geheel
  2. muziek (muziek) aangenaam klinkende vereniging van tonen
  3. de gezamenlijke blaas- en slaginstrumenten in een orkest
  4. harmonieorkest

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘eendracht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1330

Vertalingen

Spaansarmonía