harpoen

mannelijk (de)/hɑrˈpun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
    In de walvisvangst wordt gebruik gemaakt van harpoenen.
  2. een speer met weerhaken
    Er zijn harpoenen bekend uit prehistorisch Europa.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘geweerhaakt werptuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287

Vertalingen

Engelsharpoon, fish-spear
Fransharpon, foène, harpon
DuitsHarpune, Harpune
Spaansarpón
Italiaansarpione
Portugeesarpão
Russischгарпун, острога
Chinees魚叉, 鱼叉
Japans
Koreaans작살
Turkszıpkın
Zweedsharpun
Deensharpun