hauw

mannelijk/vrouwelijk (de)/hɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een droge doosvrucht, die minstens driemaal zo lang als breed is, zoals bij koolzaad en pinksterbloem
    Een hauw bestaat uit twee steriele en twee fertiele vruchtbladen, waarvan de bladranden van de fertiele vruchtbladen zijn vergroeid tot randstandige zaadlijsten en een hauw is daarmee tweehokkig en tweekleppig.

Etymologie

* In de betekenis van ‘type vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287

Vertalingen

Engelssilique
Franssilique
DuitsSchote
Spaanssilicua
Portugeessíliqua
RussischСтручочек
Chinees角果
Poolsłuszczynka