hearing
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhirɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een zitting van (meestal) een overheidsinstelling, waarbij verschillende partijen en belanghebbenden hun mening kunnen geven
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hoorzitting’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1946
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek