hearing

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhirɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een zitting van (meestal) een overheidsinstelling, waarbij verschillende partijen en belanghebbenden hun mening kunnen geven

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hoorzitting’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1946