Heks
vrouwelijk (de)/hɛks/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon), (mythologie), (magie) een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschrevenIn de middeleeuwen werd er in heksen geloofd.„Sinterklaas”, zei het nieuwe Pietje, „in een hol, hoog in de bergen, woont een heks die toverdranken maakt. Zal ik u de weg wijzen?”
- (persoon), (mythologie), (magie) (pejoratief), (pregnant) boosaardige tovenares in sprookjes en mythenDe boze heks sloot Hans op in het hok van het pannenkoekenhuisjeEen verwijzing naar het klassieke sprookje {{w|nl|Hans en Grietje|Hans en Grietje
- (persoon), (scheldwoord) onaangename, lastige vrouwwat is dat een heks geworden zeg!
Etymologie
* Leenwoord uit Duits Hexe.
Vertalingen
Engelswitch
Franssorcière
DuitsHexe
Spaansbruja
Japans魔女, まじょ, majo
Poolsczarownica
Zweedshäxa
Deensheks
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek