Heks

vrouwelijk (de)/hɛks/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon, mythologie, magie (persoon), (mythologie), (magie) een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
    In de middeleeuwen werd er in heksen geloofd.
    „Sinterklaas”, zei het nieuwe Pietje, „in een hol, hoog in de bergen, woont een heks die toverdranken maakt. Zal ik u de weg wijzen?”
  2. persoon, mythologie, magie, pejoratief, pregnant (persoon), (mythologie), (magie) (pejoratief), (pregnant) boosaardige tovenares in sprookjes en mythen
    De boze heks sloot Hans op in het hok van het pannenkoekenhuisjeEen verwijzing naar het klassieke sprookje {{w|nl|Hans en Grietje|Hans en Grietje
  3. persoon, scheldwoord (persoon), (scheldwoord) onaangename, lastige vrouw
    wat is dat een heks geworden zeg!

Etymologie

* Leenwoord uit Duits Hexe.

Vertalingen

Engelswitch
Franssorcière
DuitsHexe
Spaansbruja
Japans魔女, まじょ, majo
Poolsczarownica
Zweedshäxa
Deensheks