helikopter

mannelijk (de)/ˌheliˈkɔptər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. luchtvaart (luchtvaart) luchtvaartuig met een hefschroef waardoor het verticaal kan opstijgen en landen
    De landende helikopter liet het stof opvliegen.
    Af en toe reden groen-witte pick-uptrucks van de grenspolitie ons tegemoet omdat we de Mexicaanse grens naderden. In de lucht cirkelde een helikopter. Het leek wel een scène uit een film. Wat een land, zo anders dan mijn veilige, kleine Nederland.
    Het gaat om een fout met de zogeheten inclinometer. Dat is een belangrijke sensor voor Ingenuity, omdat die wordt gebruikt om de zwaartekracht te meten voordat hij kan opstijgen. De sensor is ook belangrijk bij het positioneren van de helikopter. Die moet altijd in de buurt van de Marsrover Perseverance landen, zodat het apparaat contact kan houden met de aarde.

Etymologie

* van ("hélicoptère"), gevormd uit het "ἕλιξ" (helix) "helix, spiraal" en "πτερόν" (pterón) "vleugel"; in de betekenis van ‘hefschroefvliegtuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1900

Vertalingen

Engelshelicopter
Franshélicoptère
DuitsHubschrauber, Helikopter
Spaanshelicóptero
Italiaanselicottero
Portugeeshelicóptero
Russischвертолёт
Turkshelikopter
Poolshelikopter
Zweedshelikopter
Deenshelikopter