herfstkampioen
mannelijk (de)/ˈhɛrᵊfstˌkɑmpiˌjun/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sport) leider van het klassement op de helft van de competitie (als in principe alle ploegen een keer tegen elkaar hebben gespeeld)
Etymologie
*, omdat er in veel sporten geen competitie is tijdens de zomer en winter en de wedstrijden in eerste helft van de competitie hoofdzakelijk tijdens de herfst worden gespeeld
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek