hertshoren

mannelijk (de)/ˈhɛrtshorə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hard en vaak vertakt uitsteeksel aan de kop van mannelijke herkauwende zoogdieren uit de familie
    Vervolgens bezoekt Faust de roomse Keizer Karel die vol lof is over de bekwame tovenaar als die in staat blijkt Alexander de Grote inclusief schone partner voor hem op te roepen. Een sceptische ridder wordt bij die gelegenheid door Faust van hertshorens voorzien; de ridder pleegt later een vergeefse aanslag op zijn plaaggeest.