historicus
mannelijk (de)/hɪsˈtorikʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geschiedenis) (beroep) deskundige op het terrein van de geschiedenis (eventueel in bezit van een academische graad)Historicus Timothy Snyder: 'Trump is uit op een dictatuur' [http://www.parool.nl/buitenland/-trump-is-uit-op-een-dictatuur~a4455144/ www.parool.nl]Je schrijft een gedicht zo alsof je niets anders doet; je stelt je proza zo samen dat, hoewel je tot het verheven taalgebruik van een historicus opstijgt, toch niets de vrijheid van een dichter je in de weg staat."De Guernica krijgt door de oorlog die we nu meemaken een enorme extra lading. Het schilderij is niet alleen een interessant kunsthistorisch object. Het leeft en de Oekraïners gebruiken dat", zegt historicus Hartmans.
Etymologie
*van Latijn "historicus"; op te vatten als afgeleid van historie
Vertalingen
Engelshistorian
Franshistorien
DuitsHistoriker
Spaanshistoriador, historiógrafo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek