hofdichter

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dichter die lid is van een hofhouding
    Sergej Nikiforovitsj (1775-1813). Russisch hofdichter, vleugeladjudant van Alexander I.
    De twee vluchtelingen, de één een voormalig hofdichter van wijlen dictator Kim Jong-il, de ander een kolonel uit het Noord-Koreaanse leger, bezoeken Den Haag en Brussel om de politiek te vertellen wat ze kan doen om Noord-Korea tot hervormingen te dwingen.

Vertalingen

Engelspoet laureate, court poet