hond
mannelijk (de)/hɔnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (roofdieren) zoogdier uit de familie van de hondachtigen (Canidae), en een gedomesticeerde ondersoort van de wolf die al sinds duizenden jaren door mensen op alle continenten wordt gebruiktEen hond moet regelmatig uitgelaten worden.Maar er zijn ook veel verleidingen en risico’s op de werkvloer te vinden of als je de hond uitlaat.Pas een hele tijd later klonk in de verte een politiesirene, gevolgd door het geluid van blaffende honden.
- (scheldwoord) minderwaardig persoonVuile hond!
zelfstandig naamwoord
- (eenheid) landmaat ter waarde van 100 roeden [3]
Etymologie
*: κύων
Uitdrukkingen
- Bij kleine lapjes leert men een hond leer eten. — Als het maar niet te snel gaat, kan men aan heel veel wennen en/of heel veel aanleren.
- Daar ligt de hond begraven. — Dat is het pijnpunt, de oorzaak van het probleem. e.d.
- De hond zit hem op de tas. — Hij is gierig, hij is een vrek.
- Een haastige hond werpt blinde jongen. — Beter langzaam iets goed doen, dan haastig iets slechts doen.
- Het is een slechte hond die zijn brood pakken laat. — Wie niet voor zichzelf opkomt, heeft het moeilijk.
- Wie bij de hond slaapt, krijgt zijn vlooien. — Wie met een slecht iemand omgaat, gaat zijn gedrag overnemen (vgl. Wie met pek omgaat, wordt ermee besmet.
- Als/Waar twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen. — Als twee personen/partijen ruzie hebben of ergens niet uit komen, kan een buitenstaander daarvan profiteren
- Blaffende honden bijten niet. — Wie een grote mond heeft, doet als het erop aankomt vaak niets (je moet daarom dus niet per definitie bang zijn voor iemand met een grote mond)
Vertalingen
Engelsdog
Franschien
DuitsHund
Spaansperro
Italiaanscane
Portugeescão
Russischсобака
Chinees狗, 犬
Japans犬, いぬ
Koreaans개
Arabischكلب
Turksköpek, it
Poolspies
Zweedshund
Deenshund
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek