honger

mannelijk (de)/ˈhɔŋər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. behoefte aan voedsel
    Hij had honger gekregen van al dat sneeuwruimen.
  2. levensbedreigend tekort aan voedsel
    De honger die volgde op de misoogst was verschrikkelijk.
    Hoelang kan een mens eigenlijk zonder eten, zonder drinken? Ik hoor de stem van mijn moeder in mijn hoofd, die me als kind al vertelde hoe haar ouders hadden moeten overleven in de concentratiekampen, in de kou, met honger en gebrek aan slaap.
    Eigenlijk had ik totaal geen honger, maar het was noodzakelijk zo veel mogelijk calorieën binnen te krijgen.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "hunger" van Oudnederlands """, in de betekenis van ‘eetlust’ aangetroffen vanaf 901

Uitdrukkingen

  • honger is de beste saus

Vertalingen

Engelshunger
Fransfaim
DuitsHunger
Spaanshambre
Italiaansfame
Portugeesfome
Russischголод
Poolsgłód
Deenssult