honk
onzijdig (het)/hɔŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uitgangspunt en vrijplaats bij kinderspelen
- (sport) elk van de vier hoekpunten op een softbal- of honkbalveld die een speler moet passeren, wil hij een punt scoren
- (informeel) vaste verblijfplaats waar je je op je gemak voelt
Etymologie
* Van niet-Germaanse oorsprong, zijnde een nasale variant van hok, hoek en wellicht ook haak, mogelijk ontleend aan een substraattaal , van een hypothetische verbale wortel *hVk- 'afgrendelen, vergrendelen' ?
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek