Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

hotelingang

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plaats waar gasten een hotel kunnen ingaan
    Ze zijn afgelopen week 'verhuisd' van een hotel in het centrum van Cuenca naar eentje aan de rand van de stad. Een noodgreep. Het hotel had geen eten meer voor het koppel en de protesten vonden pal voor de hotelingang plaats. "De demonstranten gooiden met stenen, waarna de politie reageerde met traangasbommen. Het traangas vloog ons balkon op."
    De veranderingen betreffen het hotel zelf. ,,Voor Amsterdammers is dat misschien de achterkant,’’ zegt Dijkstra, ,,omdat de hotelingang aan de Leidsekade ligt. Voor ons is het de hoofdzaak.’’