houding

vrouwelijk (de)/ˈhɑudɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een pose; manier van doen
    Zijn dikke hoofd is als het ware in de modder vastgezogen en zijn ledematen liggen alle kanten op. Vlak naast hem ziet Albert de ander liggen, Louis Thérieux. Ook hij zit voor een deel onder de modder, maar hij heeft zich opgerold en lijkt zo een beetje op een foetus. Het is aangrijpend dat hij zo jong en dan in die houding moest sterven... {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Deze ‘Pogue Mahone’ (‘kiss my arse’ in Gaelic) leek sprekend op de ‘The Dude’ uit de film ‘The Big Lebowski’ met zijn relaxte houding en opvallende charisma.
  2. gedragslijn, opstelling
    Haar houding tegenover Marens geheim is honderdtachtig graden gedraaid: het kindje is nu een wonder, een smeltkroes waarin al hun problemen zullen verbranden en verdwijnen.

Etymologie

* van houden .

Vertalingen

Engelscarriage, posture, attitude
Fransposition, attitude, contenance
DuitsPose, Haltung, Fassung
Spaanspostura, porte, actitud