hout

onzijdig (het)/hɑut/

Wat is de betekenis van hout?

hout betekent: (materiaalkunde) materiaal in het binnenste van houtige planten (bomen, struiken, etc.)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. materiaalkunde (materiaalkunde) materiaal in het binnenste van houtige planten (bomen, struiken, etc.)
  2. ecologie, metonymisch (ecologie) (metonymisch) bos, park, bijv. Haarlemmerhout, Kralingerhout, Leidse Hout

Voorbeelden van "hout" in een zin

  • Het afwaswater werd tijdens het eten op het vuur verwarmd waarmee ik na de maaltijd de aangekoekte pannen schoon schrobde. Er leek geen einde aan te komen, maar het was altijd gezellig om de avonturen van de dag te bespreken. De andere kinderen zochten hout, zetten tenten op en haalden water.
  • Zijn oude wolfshuid kwam goed van pas wanneer het werk in de pikzwarte ochtend begon met het verwarmen van het hout.
  • We hebben heerlijk in de hout gewandeld.
  • [[:w:Limburg mijn vaderland|Waar in 't bronsgroen eikenhout, 't nachtegaaltje zingt, [...] Daar is mijn vaderland, Limburgs dierbaar oord !]]

Betekenis en uitleg van hout

Hout is een stevig, natuurlijk materiaal dat afkomstig is van bomen. Het wordt vaak gebruikt voor constructies, meubels en diverse ambachtelijke toepassingen, en het heeft een warme, organische uitstraling.

Dit woord komt vaak voor in de context van bouwen of klussen, waar hout een fundamentele rol speelt. Het kan ook verwijzen naar de sfeer van een ruimte, zoals in 'een houten interieur'. Daarnaast zijn er verschillende houtsoorten, elk met unieke eigenschappen die ze geschikt maken voor specifieke doeleinden.

Voorbeelden

  • De timmerman gebruikte stevig hout om de nieuwe schuur te bouwen.
  • In de woonkamer staat een prachtig houten tafel die met de hand is gemaakt.
  • Tijdens het kampvuur gebruikten we takken van hout om het vuur aan te wakkeren.

Woordoorsprong

Het woord 'hout' stamt af van het Oudnederlands 'hut', wat verwijst naar de substantie van bomen.

Veelgestelde vragen over hout

Wat is de betekenis van hout?

hout betekent: (materiaalkunde) materiaal in het binnenste van houtige planten (bomen, struiken, etc.)

Hoeveel betekenissen heeft hout?

hout heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft hout?

hout is een onzijdig (het).

Hoe gebruik je hout in een zin?

Voorbeeld: “Het afwaswater werd tijdens het eten op het vuur verwarmd waarmee ik na de maaltijd de aangekoekte pannen schoon schrobde. Er leek geen einde aan te komen, maar het was altijd gezellig om de avonturen van de dag te bespreken. De andere kinderen zochten hout, zetten tenten op en haalden water.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "hout" van Oudnederlands "holt", in de betekenis van ‘hard gedeelte van bomen’ aangetroffen vanaf 741

Uitdrukkingen

  • Alle hout is geen timmerhoutNiet alles is van voldoende kwaliteit
  • Als zij dit doen aan 't groene hout, wat zal aan 't dorre geschieden?
  • Bos hout voor de deur
  • Dat snijdt geen houtDaar klopt niks van/Dat werkt niet
  • Een houten KlaasMan die zich moeilijk beweegt
  • Van dik hout zaagt men plankenNiet al te nauwkeurig of zorgvuldig werken
  • Waar (hout) gehakt wordt vallen spaanders

Vertalingen

Engelswood
Fransbois
DuitsHolz
Spaansmadera
Italiaanslegno
Portugeesmadeira
Russischдерево
Turkstahta
Poolsdrewno
Zweedsträ
Deenstræ