hout
onzijdig (het)/hɑut/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (materiaalkunde) materiaal in het binnenste van houtige planten (bomen, struiken, etc.)Het afwaswater werd tijdens het eten op het vuur verwarmd waarmee ik na de maaltijd de aangekoekte pannen schoon schrobde. Er leek geen einde aan te komen, maar het was altijd gezellig om de avonturen van de dag te bespreken. De andere kinderen zochten hout, zetten tenten op en haalden water.Zijn oude wolfshuid kwam goed van pas wanneer het werk in de pikzwarte ochtend begon met het verwarmen van het hout.
- (ecologie) (metonymisch) bos, park, bijv. Haarlemmerhout, Kralingerhout, Leidse HoutWe hebben heerlijk in de hout gewandeld.[[:w:Limburg mijn vaderland|Waar in 't bronsgroen eikenhout, 't nachtegaaltje zingt, [...] Daar is mijn vaderland, Limburgs dierbaar oord !]]
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "hout" van Oudnederlands "holt", in de betekenis van ‘hard gedeelte van bomen’ aangetroffen vanaf 741
Uitdrukkingen
- Alle hout is geen timmerhout — Niet alles is van voldoende kwaliteit
- Als zij dit doen aan 't groene hout, wat zal aan 't dorre geschieden?
- Bos hout voor de deur
- Dat snijdt geen hout — Daar klopt niks van/Dat werkt niet
- Een houten Klaas — Man die zich moeilijk beweegt
- Van dik hout zaagt men planken — Niet al te nauwkeurig of zorgvuldig werken
- Waar (hout) gehakt wordt vallen spaanders
Vertalingen
Engelswood
Fransbois
DuitsHolz
Spaansmadera
Italiaanslegno
Portugeesmadeira
Russischдерево
Turkstahta
Poolsdrewno
Zweedsträ
Deenstræ
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek