huilen
/ˈhœylə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) traanvocht uitscheiden als gevolg van een negatieve emotie zoals verdriet of pijn, of soms juist als uiting van vreugde of opluchtingMaar hij huilde niet. Het heeft immers geen zin te huilen over dingen die toch niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden? {{Aut|Herzen, Frankfß «; /«ï“\4L \9 12 Toen twee dagen nadat Quick me had buitengesloten de telefoon in de gang ging, rende ik in mijn ochtendjas naar beneden om op te nemen, en ik kon wel huilen van vreugde toen ik de persoon aan de andere kant van de lijn hoorde zeggen: 'Hé, Delly, hoe gaat ie?' Ik wilde geen Quick, ik wilde geen Lawrie Haar stem was mijn reddingsboei.Toen ik begreep dat Stalin gestorven was, keerde ik luid huilend terug naar mama thuis.
- (inerg) (dierengeluid) het geroep van wolven
- (onpr), (meteorologie) (van de wind) veel lawaai makenDe wind huilde en floot door de kieren in de wanden. {{Aut|Herzen, Frank
Etymologie
* In de betekenis van ‘schreien, janken’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Uitdrukkingen
- Het huilen staat [hem/haar, ....] nader dan het lachen — Gezegd van iemand die duidelijk bedroefd of zwaar gefrustreerd is
- Het is om te huilen — Het is waardeloos, erg slecht; het lijkt nergens op
- huilen met de pet op
- Huilen met de wolven in het bos — Blindelings meegaan in een (verkeerd) meerderheidsstandpunt
Vertalingen
Engelscry, weep, sob
Franscrier
Duitsheulen, weinen
Spaansllorar, aullar
Italiaanspaingere
Turksağlamak
Poolspłakać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek