humor

mannelijk (de)/ˈhymɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets wat grappig is
    Dat is pas echte humor!
    Een voorbeeld van humor is voor Kierkegaard de parabel van de zeelieden die manhaftig proberen hun schip in goede staat te houden, terwijl dat schip aan het zinken is.
    Kierkegaard spreekt van ironie als middel waarmee mensen de overgang maken van esthetisch naar ethisch bewustzijn, en van humor als middel om de stap van het ethische naar het religieuze bewustzijn te maken.
  2. het vermogen om grappig te zijn
    Hij heeft veel humor.
    De auteur had lovende woorden voor Kierkegaards humor en intellect, maar vroeg zich af of Kierkegaard zijn talent ooit voldoende zou kunnen beheersen om een samenhangend en volledig boek te schrijven.
  3. medisch (medisch) lichaamsvocht, vochtigheid
    In een oude middeleeuwse theorie werden vier humores onderscheiden: slijm, bloed, gele en zwarte gal.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘scherts’ voor het eerst aangetroffen in 1839

Vertalingen

Engelshumour
Spaanshumor
Russischюмор