ibis

mannelijk (de)/ˈibɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ooievaarachtigen (ooievaarachtigen) een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie
    Een ibis heeft een lange, smalle en gekromde snavel.

Etymologie

*via Middelnederlands """, in de betekenis van ‘reigerachtige’ aangetroffen vanaf 1240 Gaat via Latijn """ en "ἶβις" (ibis) terug op "hby" (hebi): O4 D58 Z4 G26A

Vertalingen

Engelsibis
Fransibis
DuitsIbis
Spaansibis
Italiaansibis
Portugeesibis
Zweedsibis, ibisfågel