iep

mannelijk (de)/ip/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) een geslacht van loofbomen, met veernervige bladeren en een gezaagde of dubbelgezaagde bladrand
    De Hollandse iep gedijt goed in de zeelucht van de kuststreken.

Etymologie

* Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘loofboom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567

Vertalingen

Engelselm
Fransorme