imam
mannelijk (de)/ˈimɑm/
Wat is de betekenis van imam?
imam betekent: (religie) (islam) voorganger bij het gebed
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (islam) voorganger bij het gebed
- (religie) hoofd van een islamitische rechtsschool
- (regering) leider van een sjiitische gemeenschap
Voorbeelden van "imam" in een zin
- Een moskee is niet zoals een kerk het huis van God op aarde, maar wel een plaats waar de gemeenschap samenkomt. Vandaar dat een moskee meestal een eenvoudig rechthoekig gebouw is, georiënteerd naar Mekka, met een nis of ‘mihrab’ waar de imam voorgaat in het gebed en met een preekstoel of ‘minbar’.
- Vrouwen stenigen mag, zei de imam [http://www.nrc.nl/next/2016/03/03/vrouwen-stenigen-mag-zei-de-imam-1597800 www.nrc.nl]
- De theologen baseren zich op de uitleg van de algemeen geachte imam Malik (c. 711-795) en imam Ahmed ibn Hanbal (780-855).
- Koning Ibn Saoed en de imam van Jemen sluiten vrede.
Etymologie
*uit het إمام (imām) "imam"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek