imam

mannelijk (de)/ˈimɑm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) (islam) voorganger bij het gebed
    Een moskee is niet zoals een kerk het huis van God op aarde, maar wel een plaats waar de gemeenschap samenkomt. Vandaar dat een moskee meestal een eenvoudig rechthoekig gebouw is, georiënteerd naar Mekka, met een nis of ‘mihrab’ waar de imam voorgaat in het gebed en met een preekstoel of ‘minbar’.
    Vrouwen stenigen mag, zei de imam [http://www.nrc.nl/next/2016/03/03/vrouwen-stenigen-mag-zei-de-imam-1597800 www.nrc.nl]
  2. religie (religie) hoofd van een islamitische rechtsschool
    De theologen baseren zich op de uitleg van de algemeen geachte imam Malik (c. 711-795) en imam Ahmed ibn Hanbal (780-855).
  3. regering (regering) leider van een sjiitische gemeenschap
    Koning Ibn Saoed en de imam van Jemen sluiten vrede.

Etymologie

*uit het إمام (imām) "imam"