impopulariteit

vrouwelijk (de)/ˈɪmpopyˌlariˌtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet geliefd zijn bij veel mensen
    De legers waren versnipperd, er was geen eenheid in de leiding, Barclay was niet populair; maar die warboel, die versplintering en de impopulariteit van de Duitse opperbevelhebber resulteerden enerzijds in de besluiteloosheid en het ontwijken van het gevecht (wat onvermijdelijk zou zijn geweest als de legers verenigd waren en Barclay geen commandant was geweest), anderzijds in een groeiende anti-Duitse stemming en een groeiend patriottisme.
    Verschil met de vorige regeerperiode, toen alle oppositiepartijen in de Peilingwijzer profiteerden van de impopulariteit van de regeringspartijen, is dat inmiddels ook partijen als de PVV en de SP het moeilijk hebben.

Etymologie

*van "impopularité", op te vatten als afleiding van populariteit

Vertalingen

Engelsunpopularity