ineenvouwen
/ɪnˈeɱvɑuwə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) herhaaldelijk samenbuigenElk gedrukt boek bestaat uit katernen: bundeltjes bladen die ontstaan door het ineenvouwen, in de vouw vastnaaien en opensnijden van een aan weerszijden bedrukt vel.
- (erga) (figuurlijk) kleiner worden, sterk verminderenMaar de winter kwam aan. Franciscus vreesde dat hun moed zou ineenvouwen.
- (ov) (van handen) met palmen tegen elkaar houden en de vingers verstrengelenEen onzegbare ontroering deed haar de handen ineenvouwen over het zusterkleed (…)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek