inkleding
vrouwelijk (de)/ˈinkledɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de handeling waarbij postulanten hun noviciaat beginnen en voor het eerst het kloostergewaad ontvangen
- hoe men de rol van een bepaalde functie of persoon vorm geeft“Juist de burgemeesters weten wat er speelt in de gemeente en aan welke inzet behoefte is. Er gaat veel goed bij de inzet, maar in het bestuurlijk bestel waarin de inzet van de politie wordt bepaald, zou de inkleding van de burgemeester beter kunnen.” NRC Lisa Dupuy 13 juni 2017 [https://www.nrc.nl/nieuws/2017/06/13/nationale-politie-negeert-platteland-a1562772 ‘Nationale politie negeert platteland’]
- de inrichting van een ruimte of een gebouw‘Dit jaar wilden we echt inzetten op de sfeer en inkleding’, vervolgt de student. ‘We wilden een totale ervaring creëren, zodat de studenten zich niet meer in Leuven wanen wanneer ze toekomen. Denk maar aan Tomorrowland.’ De Standaard WOENSDAG 25 APRIL 2018 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20180424_03481593 Studenten willen het steeds groter en professioneler]De rondgang loopt langs vijf ruimten in ‘een Ensoriaanse sfeer’. Voor de inkleding daarvan werkt het bureau Madoc alleen met reproducties. De Standaard WOENSDAG 23 MEI 2018 - CULTUUR EN MEDIA [http://www.standaard.be/cnt/dmf20180522_03524873 Oostende zet zich op de kaart met Ensor]
Etymologie
* van inkleden
Vertalingen
Engelsformulating
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek