inkopen

/ˈɪŋkopə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door kopen een voorraad aanleggen
    Onze Chef Bier heeft biologisch boekweitbier ingekocht.
    Toch had ik haar hele lijst integraal ingekocht in een gigantische supermarkt in San Diego, genoeg voor de eerste zeven weken. Al dat eten stuurde ik vervolgens in zeven verschillende postdozen naar mezelf vooruit, omdat de trail alleen maar door de wildernis trok en de voedselprijzen erg hoog waren in de gehuchten waar ik af en toe langs zou komen.
  2. kopen bij iemand die producten of diensten levert
    De NZa wil met de gegevens van uiteindelijk 800.000 ggz-patiënten een beter beeld creëren van de zorg die nodig is. Daartoe moeten behandelaars per patiënt een online scorelijst invullen. Ook zorgverzekeraars kunnen van de informatie gebruikmaken bij het inkopen van zorg. Behandelaars die geen of onjuiste gegevens aanleveren, kunnen na een waarschuwing een dwangsom opgelegd krijgen.
zelfstandig naamwoord
  1. aangeschafte goederen

Etymologie

* "inkoop" met de uitgang -en

Vertalingen

Engelspurchase
Duitseinkaufen