insteek

mannelijk (de)/ˈɪnstek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handeling van het insteken
    De insteek van de naald is wat lastig als de huid verdikt is.
  2. inbreng, benadering, wat men wil bereiken, wat men te berde brengt
    De insteek is nadrukkelijk meer ruimte te scheppen voor de eigen visies en missies van zuidelijke partners bij hun eigen capaciteitsopbouw.
  3. medisch (medisch) voorraad linnengoed die een instelling in huis heeft [https://web.archive.org/web/20160304130634/http://ikzorgerwelvoor.nl/nieuws/kernwoorden/insteek.html ikzorgerwelvoor.nl]
  4. bouwkunde (bouwkunde) voor een deel ingestoken tussenverdieping in een eenlaags huis met zeer hoge begane grond.
    .. is een 14de-eeuws huis met in wezen nog de oorspronkelijke insteek.[http://archive.is/X0JYX dbnl gearchiveerd: Utrecht. De huizen binnen de singels.{{Aut|Marceline Dolfin, E.M. Kylstra en Jean Penders

Etymologie

**[2] in deze betekenis bekend sinds de jaren 1990