insuline
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌɪnsyˈlinə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (biochemie) een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeenGlucagon en insuline zijn zogenaamde antagonisten.
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hormoon’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1926
Vertalingen
Engelsinsulin
Fransinsuline
DuitsInsulin
Spaansinsulina
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek