intocht

mannelijk (de)/ˈɪntɔxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. al dan niet feestelijke binnenkomst van iets of iemand
    Ze fotografeerde de landing in Normandië, intocht in Parijs, de bevrijding van Bergen-Belsen en op dezelfde dag maakte ze met collega en minnaar David Scherman beroemde foto’s in het bad van Adolf Hitler in zijn appartement in München. NRC Daan van Lent 5 januari 2017
    Bij maatschappijleer kregen we een opfriscursus over het communisme, zelfs de godsdienstlessen gingen plotseling over wat Jezus gevonden zou hebben van de Sovjet-Russische intocht in Boedapest.
  2. een feestelijke, plechtige inkomst van een belangrijk persoon
    Maar in onze eigen stad, Amsterdam, laten we de kerken vooral links liggen. Alleen toen onze twee zonen klein waren en we jaarlijks naar de intocht van Sinterklaas gingen, hadden we als gewoonte om na Zijn aankomst even de Basiliek van de Heilige Nicolaas te bezoeken, de katholieke koepelkerk tegenover het Centraal Station, waar een groot beeld van de heilige in de top van de gevel neerkijkt op de voorbijgangers. NRC ernard Hulsman 16 februari 2017