ironiseren
Betekenis
werkwoord
- de spot drijven met iets of iemandTor verzekerde dat hij op geen enkele manier die neiging had en schoof de schuld af op zijn zielsgeliefde — hij hield ervan om te ironiseren met ouderwets taalgebruik — Annalena, voor wie ze nu langzaam maar waardig naar het zuiden reisden.Na het schrijven ging hij werken voor satirische tv-programma’s, zoals VPRO’s Waskracht!. Deels omdat er brood op de plank moest komen, deels omdat hij ‘een latente behoefte om mijzelf te ironiseren’ had. Eind jaren 90 was hij presentator van de RTL5-quiz Nieuws en Nonsens.
Etymologie
* afleiding van ironie
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek