jaargeld

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoeveelheid geld die iemand jaarlijks ontvangt
    De majoor had dus plaatsgenomen naast de bankier, die hoe langer hoe meer bekoord werd door de opvattingen over orde en spaarzaamheid van een man die zijn zoon een jaargeld van zegge en schrijve vijftigduizend frank gaf, wat een kapitaal veronderstelde dat vijf- tot zeshonderdduizend frank rente afwierp.