jam
mannelijk (de)/ʒɛm/
Wat is de betekenis van jam?
jam betekent: (voeding) (fruit) een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) (fruit) een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
Voorbeelden van "jam" in een zin
- Als je iets zoets wil pak je maar een boterham met jam.
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘confiture’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1903
Vertalingen
Engelsjam, jelly
Fransconfiture
DuitsMarmelade
Spaansmermelada
Italiaansmarmellata, confettura
Chinees果酱
Zweedssylt, marmelad
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek