jammer
mannelijk (de)/ˈjɑmər/
Wat is de betekenis van jammer?
jammer betekent: jammerklacht, weeklagen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- jammerklacht, weeklagen
tussenwerpsel
- uitroep van teleurstelling
- spottend, met geveinsd medelijden
zelfstandig naamwoord
- (muziek) muzikant die met andere muzikanten onvoorbereid en improviserend samenspeelt
- (communicatie) apparaat dat elektromagnetische straling gebruikt om de werking van afluisterapparatuur, mobiele telefoons of wifi te blokkeren
- (militair) apparaat dat elektromagnetische straling gebruikt om communicatie en wapens van de tegenstander te verstoren
Voorbeelden van "jammer" in een zin
- -nog langer zal het lijden duren, nog hooger zal de jammer rijzen.blz 143 Vaderlandsche Letteroefeningen, Deel twee; Ellerman, 1815
- Jammer! Ik had me erop verheugd.
- Jammer dan! Had je maar moeten uitkijken!
- Vanaf circa zes uur is er nog ruim gelegenheid voor de jammers (met instrument of stem) om deze fantastische begeleiding eens “uit te proberen”.
- Zodra de ‘jammer’ wordt aangezet valt de GSM uit en dat is ook de bedoeling, hij valt in zekere zin onder de Electronic Counter Measures die de mens ter beschikking staan om de medemens tot de orde te roepen. Maar bezit en gebruik van de jammer is in bijna heel de wereld volstrekt verboden.
Etymologie
*[B] van """
Vertalingen
Engelstoo bad, pity
Franstant pis
Duitsschade
Italiaanspeccato
Zweedssynd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek