jan-van-gent

mannelijk (de)/ˈjɑɱvɑŋˌɣɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gentachtigen (gentachtigen) bepaalde zeevogel, uit de familie , in de orde van de Pelikaanachtigen

Etymologie

* (samenkoppeling) van Jan, van en Gent, in de betekenis van ‘pelikaanachtige’ aangetroffen vanaf 1619

Vertalingen

Engelsgannet
Fransfou de Bassan
DuitsTölpel
Spaansplanga, alcatraz, sula loca
Portugeesalcatraz
Russischбаклан