jansenist
mannelijk (de)/ˌjɑnsəˈnɪst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (politiek) navolger van de strenge opvattingen van Cornelius Jansenius, bisschop van Ieper, waarin soberheid en predestinatie een grote rol spelen
Etymologie
*(eponiem), afgeleid van de Nederlandstalige achternaam van de 17e-eeuwse Vlaamse theoloog in de betekenis van ‘aanhanger van een bepaalde godsdienstige leer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1654
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek