joelen
/ˈjulə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) luidkeels van afkeuring blijkgeven; meestal gezegd van een groep mensenDe joelende betogers lieten de zool van hun schoen zien als blijk van grote minachting.
Etymologie
*Klanknabootsend; andere vormen in de 16 en 17e eeuw waren jolen en juilen. Er is geen verband met het joel- in joelfeest.
Vertalingen
Engelscry out, shout, bawl
Franschahuter, huer, hurler
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek