Jong

onzijdig (het)/jΙ”Ε‹/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) een directe nakomeling van een dier (m.n. van een zoogdier of reptiel)
    Een welp is het jong van een leeuw.
    De poes heeft jongen gekregen.
  2. informeel (informeel) min of meer denigrerende dan wel beledigende benaming voor iemand die minderjarig en van het mannelijk geslacht is (ofwel voor een jongen)
    Ga weg, vervelend jong!

Etymologie

#(figuurlijk) recent, van nog maar kort geleden

Uitdrukkingen

  • Van jongs af aan β€” Vanaf iemands jongste jaren, vanaf zeer jeugdige leeftijd
  • Jong geleerd is oud gedaan β€” Als je iets al op jonge leeftijd leert, heb je daar op latere leeftijd nog altijd plezier van, of je kunt het dan nog beter
  • Jong van hart zijn β€” Nog altijd actief, blijmoedig enz. zijn (hoewel men al op een gevorderde kalenderleeftijd is)
  • Aap wat heb je mooie jongen β€” Iemand probeert door lief en aardig te doen iets gedaan te krijgen
  • Een haastige hond werpt blinde jongen β€” Beter langzaam iets goed doen, dan haastig iets slechts doen.
  • Zoals de ouden zongen, piepen de jongen β€” Kinderen doen en denken vaak hetzelfde als hun ouders

Vertalingen

Engelsyoung
Fransjeune
Duitsjung, Junge
Spaansjoven
Italiaansgiovane
Portugeesjovens
RussischΡŽΠ½Ρ‹ΠΉ
PoolsmΕ‚ody
Zweedsung
Deensung, unge