jukboog

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bot in het aangezicht onder oog, naast de neus en boven de bovenkaak
    Een collega treft Bianca even later bewusteloos en met ernstige verwondingen aan, half in de trein en half op het perron. Haar bovenkaak, jukboog, oogkas en neus blijken verbrijzeld.
    Toen Freya werd gevonden, zat ze vol met blauwe plekken, had ze een gebroken neusbeen, een verbrijzelde jukboog, een breuk in haar oogkas en een breuk in de onderkaak.