Juli

mannelijk (de)/ˈjyli/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening (tijdrekening) de zevende maand van het jaar volgens de gregoriaanse kalender
    In juli begint voor veel kinderen de schoolvakantie.
    Zou je op maandag 3 juli 1967, om vijf voor halfnegen 's ochtends, met je hand je nieuwe hoedje rechtzettend en met je Dolcis-schoenen aan je voeten, weer je opwachting maken bij een vrouw die Marjorie Quick heet om voor tien pond per week in het Skelton te gaan werken? Ja, ik zou het zo weer doen.

Etymologie

*(eponiem): van Latijn "mensis Iulius" "de maand van Julius", de maand is vernoemd naar de Romeinse staatsman en veldheer , in de betekenis van ‘zevende maand’ aangetroffen vanaf 1286

Vertalingen

EngelsJuly
Fransjuillet
DuitsJuli
Spaansjulio
Italiaansluglio
PortugeesJulho, julho
Russischиюль
Chinees七月
Japans7月
Koreaans칠월
Arabischيوليو
Turkstemmuz
Poolslipiec
Zweedsjuli
Deensjuli