jute

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bastvezels van een soort van hennep ( of ) waar bijvoorbeeld zakken van gemaakt worden
  2. gemaakt van jute
    De jute zak bleek niet echt stevig te zijn.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vezelstof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1858

Vertalingen

DuitsJute
Spaansyute
Italiaansiuta
Portugeesjuta
Russischджут
Turksjüt
Poolsjuta
Zweedsjute
Deensjute