jute
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bastvezels van een soort van hennep ( of ) waar bijvoorbeeld zakken van gemaakt worden
- gemaakt van juteDe jute zak bleek niet echt stevig te zijn.
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vezelstof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1858
Vertalingen
DuitsJute
Spaansyute
Italiaansiuta
Portugeesjuta
Russischджут
Turksjüt
Poolsjuta
Zweedsjute
Deensjute
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek